Monnikskap - De Grens van de Verleiding
Monnikskap - De Grens van de Verleiding

Monnikskap - De Grens van de Verleiding

Kennis van vergif is macht

Met haar prachtige violetblauwe bloemen is Monnikskap een graag geziene gast in de siertuin. Ze staat keurig rechtop tussen de vaste planten, bloeit uitbundig en dankt haar naam aan de bijzondere vorm van haar bloemen. Het bovenste bloemblad vormt een soort kapje, alsof zich tussen al dat groen een rij kleine monniken heeft opgesteld. Het is een bijna aandoenlijk beeld.

Maar dit verhaal begint nog niet bij deze bloedmooie dame. We reizen eerst een paar duizend jaar terug in de tijd. Naar een wereld waarin een slok wijn, een appel of een lekker hapje stoofpot je laatste adem kon betekenen. Naar een tijd waarin kennis van vergif macht betekende, koningen hun eten lieten voorproeven en gifmengers zich in de hoogste kringen bewogen.

We beginnen dit verhaal bij Mithridates VI, koning van Pontus in de eerste eeuw voor Christus. Zijn vader was tijdens een banket vergiftigd en Mithridates was vastbesloten niet op dezelfde manier aan zijn einde te komen. Dus begon hij zichzelf te vergiftigen.

Hij experimenteerde met verschillende vergiften, liet tegengiffen onderzoeken en probeerde zijn lichaam stap voor stap bestand te maken tegen stoffen die hem in een grotere dosis het leven konden kosten. Een vroege vorm van microdoseren, maar dan niet om je creativiteit te vergroten of om een bijzonder fijne dinsdag te hebben. Mithridates microdoseerde, omdat hij wilde voorkomen dat iemand hem tijdens het avondeten kon vermoorden.

Microdoseren

Het idee was briljant in zijn eenvoud. Wat je lichaam vandaag nog ziek maakt, kan het morgen misschien beter verdragen. Mithridates maakte er zo’n kunst van dat zijn naam er ruim tweeduizend jaar later nog altijd aan verbonden is. Mithridatisme noemen we het wanneer iemand probeert weerstand tegen een gif op te bouwen door zichzelf herhaaldelijk aan kleine hoeveelheden ervan bloot te stellen.

Op een dag kwam het moment waarop hij ontdekte hoe goed zijn plan had gewerkt. Na jaren oorlog tegen Rome was Mithridates verslagen. Gevangenneming dreigde en de koning, die zijn hele leven bang was geweest dat iemand anders zou bepalen wanneer hij stierf, besloot dat moment dan maar zelf te kiezen. Hij nam vergif en … er gebeurde niets.

Het gif waarmee hij aan gevangenschap wilde ontsnappen, kreeg hem niet dood. Uiteindelijk moest een van zijn soldaten het werk met een zwaard afmaken. Je moet het hem nageven: als experiment was het buitengewoon geslaagd.

Gif tegen gif

Mithridates stierf, maar zijn idee bepaald niet. Misschien hoefde een mens vergif helemaal niet machteloos te ondergaan. Misschien konden we leren hoe we het konden temmen. Misschien konden we ons lichaam ertegen wapenen, een middel vinden dat het onschadelijk maakte of, nog mooier, ontdekken dat het ene gif het andere kon verslaan.

En daarmee zijn we terug bij onze bloedmooie dame, Monnikskap (Aconitum).

De Romeinse schrijver Plinius de Oudere kende Aconitum als een van de gevaarlijkste planten die er bestonden. Hij wist dat ze een mens kon doden, maar beschreef tegelijkertijd een eigenschap die wonderwel paste in die oude droom om gif niet alleen te vrezen, maar het te slim af te zijn. Want volgens Plinius kon Monnikskap onder de juiste omstandigheden ook een vergiftigd mens redden.

Zijn verklaring was fantastisch. Wanneer iemand bijvoorbeeld door een schorpioen was vergiftigd en vervolgens Monnikskap kreeg toegediend, dan zouden de twee vergiften elkaar in het lichaam ontmoeten en met elkaar de strijd aangaan. Het aconiet trof het schorpioenengif, het schorpioenengif trof het aconiet en in plaats van samen de patiënt nog wat efficiënter om zeep te helpen, zouden ze elkaar vernietigen. Gif tegen gif.

Een flinke dosis bevergeil

Het klinkt als een medische theorie die rechtstreeks uit een Romeinse arena is weggelopen, maar de gedachte erachter zou bijzonder hardnekkig blijken. Eeuwenlang zochten artsen, apothekers en vorsten naar manieren om vergif met andere stoffen te bestrijden. Er ontstonden steeds ingewikkeldere tegengiffen, waarvan sommige tientallen ingrediënten bevatten.

Neem bijvoorbeeld theriac, een beroemd mengsel waaraan de lijfarts van keizer Nero een wel heel bijzondere toevoeging deed: addervlees. Dat werd vervolgens gecombineerd met onder andere opium, mirre, kaneel, peper, harsen, een flinke dosis bevergeil en een vleugje honing voor de smaak.

Het mithridatium van onze gif-etende koning kreeg zo gezelschap van steeds wonderlijkere brouwsels, maar de droom bleef dezelfde: ergens moest een combinatie bestaan die zelfs een dodelijk gif zijn tanden kon uittrekken.

Alleen bleef er een praktisch probleem bestaan. Je kon een recept nog zo beroemd maken, er vijftig ingrediënten in stoppen en er de naam van een koning aan verbinden, maar daarmee wist je nog altijd niet of het iemand die werkelijk vergiftigd was ook kon redden.

Een goddelijke marsepeinen koek

In 1524 besloot paus Clemens VII, vanuit zijn goddelijke ambt, om dat maar eens tot op de bodem uit te zoeken. Een zekere Gregorio Caravita beweerde namelijk een olie te hebben ontwikkeld die bescherming bood tegen vergiftiging. Dat was natuurlijk prachtig nieuws, maar de paus wilde iets meer bewijs dan een overtuigend verkoopverhaal. Gelukkig beschikte men in die tijd over een categorie mensen die uitstekend geschikt werd geacht voor experimenten waarbij de afloop mogelijk wat minder gunstig was: ter dood veroordeelde gevangenen.

Twee van hen werden uitgekozen en beide mannen kregen een marsepeinen koek waarin een enorme hoeveelheid Aconitum napellus was verwerkt. Het gif deed zijn werk. Volgens overlevering begonnen de mannen wild te gebaren en schreeuwden ze vanwege pijn in hun hart. Dit was het moment waarop een van de twee met Caravita’s wonderolie werd ingewreven, waarna zijn hartslag en pols zich herstelden. De ander kreeg niets en stierf in grote doodsstrijd.

Het experiment lijkt vanuit onze wereld krankzinnig, maar binnen hun wereld heeft het een verrassende logica. Je vergiftigt twee mensen. Je redt er een en je laat de ander sterven als controlegroep. Logisch toch?

De werking van Monnikskap

Wat die twee mannen in 1524 niet konden weten, was waarom Monnikskap zo meedogenloos door een lichaam kan trekken. De plant bevat verschillende giftige alkaloïden, waarvan aconitine de beruchtste is. Aconitine grijpt in op de natriumkanalen van zenuw- en spiercellen, kleine poortjes die voortdurend open en dichtgaan om elektrische signalen door ons lichaam te sturen. Dankzij die elektrische prikkels kunnen zenuwen boodschappen doorgeven, spieren bewegen en kan een hart in een regelmatig ritme blijven kloppen.

Aconitine gooit die poortjes open en zorgt ervoor dat ze niet meer normaal sluiten. Daarmee raakt iets fundamenteels ontregeld: het vermogen van cellen om hun elektrische huishouding steeds opnieuw op orde te brengen. En dat voel je! Vaak begint het met tintelingen en een branderig gevoel in mond en tong. Lippen worden doof, vingers en tenen gaan prikken en langzaam kan dat vreemde gevoel zich verder door het lichaam verspreiden. Daarna kunnen misselijkheid, braken, hevige diarree, zweten en spierzwakte volgen.

Maar ook het hart is afhankelijk van diezelfde nauwkeurig geregisseerde elektrische prikkels. Als aconitine zich daarmee gaat bemoeien, kan de bloeddruk instorten en kan een keurige hartslag veranderen in een opeenvolging van gevaarlijke ritmestoornissen. En het akelige is dat je dit hele proces zeer bewust ervaart.

Monnikskap als geneesmiddel

Toch was dit nog lang niet het einde van onze pogingen om Monnikskap te temmen. Integendeel. Een paar eeuwen na het experiment met de marsepeinen koek keek een arts in Wenen naar deze dodelijke schoonheid en zette de volgende stap. Wat als je iemand niet eerst hoefde te vergiftigen om hem daarna te redden? Wat als het gif zelf het geneesmiddel kon zijn?

De Oostenrijkse arts Anton von Störck had in de achttiende eeuw een bijzondere belangstelling voor planten waar een verstandig mens liever niet zomaar aan begon. Hij onderzocht onder andere Doornappel, Bilzekruid en Monnikskap en wilde weten of hun krachtige werking, zorgvuldig gedoseerd, therapeutisch gebruikt kon worden. Daarbij deed hij iets wat zijn onderzoek meteen een stuk overtuigender maakt: voordat hij Monnikskap aan patiënten gaf, probeerde hij haar eerst zelf uit.

Störck begon voorzichtig, observeerde wat er gebeurde en ging daarna verder met patiënten. In 1762 publiceerde hij zijn bevindingen en Monnikskap begon langzaam aan een opmerkelijke tweede carrière. In de achttiende en negentiende eeuw werden bereidingen van Aconitum gebruikt bij onder andere neuralgische pijn, reumatische klachten en jicht, en uiteindelijk verschenen tincturen en extracten zelfs in officiële Europese farmacopees. De plant die eeuwenlang vooral bekendstond als een gevreesd gif stond ineens keurig tussen de geneesmiddelen in de apotheek.

Een dodelijk wijntje

Dat was helemaal zo gek nog niet. Zoals zo vaak lag het verschil tussen gif en geneesmiddel niet in de stof zelf, maar in de dosis. Monnikskap kon pijnprikkels krachtig beïnvloeden en juist daarin lag haar medische aantrekkingskracht. Alleen was de afstand tussen een werkzame en een gevaarlijke dosis akelig klein, terwijl de sterkte van bereidingen bovendien kon variëren. Toch waren er artsen die ervan overtuigd bleven dat ze Monnikskap onder controle hadden. Een van hen was de Duitse arts Carl Meyer

Meyer had een patiënt behandeld met aconitine die daarna ernstig ziek werd. De echtgenote van de patiënt wees het geneesmiddel aan als schuldige, maar Meyer was ervan overtuigd dat dit onmogelijk de oorzaak kon zijn. Hij kende het middel, hij kende de dosis en hij wist wat hij deed. Dus besloot hij dat te bewijzen. Hij loste ongeveer vier milligram aconitinenitraat op in wijn en dronk het zelf op. Vijf uur later was hij dood.

Meyer was bepaald niet de enige arts die de kracht van Monnikskap onderschatte. In de loop van de negentiende en twintigste eeuw werd steeds duidelijker hoe gevaarlijk klein de afstand tussen een werkzame en een dodelijke dosis was. Er kwamen veiligere geneesmiddelen beschikbaar en langzaam verdween Monnikskap uit de reguliere geneeskunde. In 1910 stond ze nog keurig in het Duitse geneesmiddelenboek, maar in de editie van 1926 was ze geschrapt. Uiteindelijk verdwenen ook elders in Europa haar tincturen en extracten uit de reguliere apotheek. Zelfs aconitine, de stof die ooit zoveel medische belangstelling had gewekt, kreeg geen blijvende plaats als geneesmiddel.

Niet iedere grens is er om bedwongen te worden

Daarmee kwam een opmerkelijk einde aan een geschiedenis van bijna tweeduizend jaar waarin mensen steeds opnieuw hebben geprobeerd deze plant naar hun hand te zetten.

En je kunt het ons nauwelijks kwalijk nemen. Monnikskap had ons werkelijk iets te bieden. Ze is bloedmooi, krachtig en gevaarlijk. En ook haar geneeskrachtige werking was geen verzinsel; we konden haar kracht voelen, meten en gebruiken. We kregen haar zelfs bijna zover dat ze deed wat we wilden, maar we bleven balanceren op de rand van de afgrond.

Misschien hebben we na tweeduizend jaar toch iets van haar begrepen: niet iedere grens is er om bedwongen te worden. Niet alles wat ons aantrekt, is ook goed voor ons. En niet alles wat ons iets te bieden heeft, hoeven we ons toe te eigenen.

Daar staat ze nu weer, tussen de vaste planten. Dezelfde bloedmooie dame met de verleidelijke glimlach waarmee dit verhaal begon.

Ze mag verleiden.

Wij hoeven alleen niet dichterbij te komen.

Warme groet,
Astrid 🌿


Let op: deze serie gaat over giftige planten, hun geschiedenis en het gebruik ervan door de eeuwen heen. Het is nadrukkelijk geen uitnodiging om ermee te experimenteren. Sommige planten in deze verhalen kunnen al in kleine hoeveelheden ernstige of dodelijke vergiftigingen veroorzaken. Gebruik ze daarom niet als huismiddel of zelfmedicatie.


Lees hier het volgende verhaal

Lees hier het vorige verhaal

Monnikskap - De Grens van de Verleiding